cargo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • car·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Spaans.
enkelvoud meervoud
naamwoord cargo cargo's
verkleinwoord cargootje cargootjes

Zelfstandig naamwoord

cargo m

  1. de goederen vervoerd door een voertuig
    Een vrachtwagen mag zich niet door een stad begeven als hij gevaarlijke cargo vervoert.
  2. een schip dat goederen vervoert
    Piraten kapen Griekse cargo in Golf van Aden (Het Laatste Nieuws).
Synoniemen


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈkar.go/
Woordafbreking
  • car·go
enkelvoud meervoud
cargo cargos

Zelfstandig naamwoord

cargo m

  1. functie, baan, betrekking, post, positie
  2. beschulgiging
  3. (scheepvaart) vrachtschip, cargoschip
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
cargar

cargo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cargar.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen