buurvrouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur·vrouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurvrouw buurvrouwen
verkleinwoord buurvrouwtje buurvrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

buurvrouw v

  1. vrouw woonachtig in het belendende huis
    De buurvrouw kwam even koffiedrinken.
Vertalingen