bungelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bun·ge·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bungelen |
bungelde |
gebungeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bungelen
- (inergatief) loshangend heen en weer zwaaien
- Hij heeft een tijdlang boven de afgrond gebungeld voordat hij uit zijn benarde positie bevrijd werd.