bungelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bun·ge·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bungelen
bungelde
gebungeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bungelen

  1. (inergatief) loshangend heen en weer zwaaien
    Hij heeft een tijdlang boven de afgrond gebungeld voordat hij uit zijn benarde positie bevrijd werd.