bukken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buk·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bukken
bukte
gebukt
zwak -t volledig

Werkwoord

bukken

  1. (wederkerend) het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
    Hij bukte zich om met zijn hand bij de gevallen pen te komen.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen