bukken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- buk·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bukken |
bukte |
gebukt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bukken
- (wederkerend) het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
- Hij bukte zich om met zijn hand bij de gevallen pen te komen.