brullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
brullen brullend
gebrul gebruld
Woordafbreking
  • brul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brullen
brulde
gebruld
zwak -d volledig

Werkwoord

brullen

  1. (inergatief) bijzonder luid schreeuwen of huilen
    De leeuwen brulden in de nacht.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen