brok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brok
enkelvoud meervoud
naamwoord brok brokken
verkleinwoord brokje brokjes

Zelfstandig naamwoord

brok o v/m

  1. een blok met een grillige vorm
    Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven.
  2. een restant van een constructie
    Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen.
Synoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen