brok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brok
enkelvoud meervoud
naamwoord brok brokken
verkleinwoord brokje brokjes

Zelfstandig naamwoord

brok o v/m

  1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
    Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven.
  2. een restant van een constructie
    Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: een brok in de keel krijgen
emotioneel aangedaan zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
brokken

brok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
    Ik brok.
  2. gebiedende wijs van brokken
    Brok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
    Brok je?