brok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- brok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | brok | brokken |
| verkleinwoord | brokje | brokjes |
Zelfstandig naamwoord
- een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
- Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven.
- een restant van een constructie
- Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: een brok in de keel krijgen
emotioneel aangedaan zijn