broedsel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broed·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broedsel broedsels
verkleinwoord broedseltje broedseltjes

Zelfstandig naamwoord

broedsel o

  1. een aantal gezamenlijk bebroedde eieren en de jongen die daaruit voortkomen
    Dit is het al het tweede broedsel dit jaar.
Vertalingen