broedden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- broed·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| broeden |
broedden
- meervoud verleden tijd van broeden
- Wij broedden.
- Jullie broedden.
- Zij broedden.
- Wij broedden.
| vervoeging van |
|---|
| broeden |
broedden