brandhout
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- brand·hout
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | brandhout | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
brandhout o
- hout dat gebruikt wordt om te verbranden
- Het brandhout was bijna op, dus werd er een boom omgehakt.
- hout van een te slechte kwaliteit om er iets van te maken
- De bank was gemaakt van brandhout en storte meteen in elkaar toen de jongen erop ging zitten.