bouw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bouw | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
bouw m
- het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
- De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
- het bouwbedrijf
- Hij is in de bouw gaan werken.
- het bouwterrein
- Het is ten strengste verboden op de bouw zonder helm aanwezig te zijn.
- de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijze
- Deze kerk heeft een schitterende bouw.
- de aanbouw, het telen (van gewassen)
- explotatie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het doen verrijzen van een gebouw
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bouwen |
bouw