bouw

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bouw m

  1. het doen verrijzen van een gebouw
    De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
  2. het bouwbedrijf
    Hij is in de bouw gaan werken.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bouwen

bouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bouwen
    Ik bouw.
  2. gebiedende wijs van bouwen
    Bouw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bouwen
    Bouw je?
Persoonlijke instellingen