bouw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
bouw m
- het doen verrijzen van een gebouw
- De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
- het bouwbedrijf
- Hij is in de bouw gaan werken.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het doen verrijzen van een gebouw
Werkwoord
| vervoeging van |
| bouwen |
bouw