borg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- borg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | borg | borgen |
| verkleinwoord | (borgje) | (borgjes) |
Zelfstandig naamwoord
borg m
- iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
- Hij was bereid als borg op te treden.
- gecastreerd mannetjesvarken
Vertalingen
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bergen |
borg
- enkelvoud verleden tijd van bergen
- Ik borg.
- Jij borg.
- Hij, zij, het borg.
- Ik borg.
| vervoeging van |
|---|
| borgen |
borg