borg

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • borg
enkelvoud meervoud
naamwoord borg borgen
verkleinwoord (borgje) (borgjes)

Zelfstandig naamwoord

borg m

  1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag.
    Hij was bereid als borg op te treden.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen