borg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- borg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | borg | borgen |
| verkleinwoord | (borgje) | (borgjes) |
Zelfstandig naamwoord
borg m
- iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag.
- Hij was bereid als borg op te treden.