boosheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- boos·heid
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | boosheid | boosheden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
boosheid v
- de hoedanigheid van het boos zijn
- Schelden uit boosheid.
- de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
Synoniemen
- [1] kwaadheid, nijd
- [2] boosaardigheid, kwaadaardigheid, kwaadwillendheid, kwaadwilligheid, perversiteit, slechtheid, verdorvenheid
Antoniemen
Verwante begrippen
- [1] ergernis, frustratie, irritatie, rancune, woede, wrevel, wrok
- [2] schadelijkheid
Vertalingen
Vertalingen
2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn