bonken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·ken

Zelfstandig naamwoord

bonken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bonk
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bonken
bonkte
gebonkt
zwak -t volledig

Werkwoord

bonken

  1. (inergatief) een dof stotend geluid voortbrengen
    Geërgerd door het feestgedruis bonkte hij tegen de muren.