bonken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- bon·ken
Zelfstandig naamwoord
bonken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bonk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bonken |
bonkte |
gebonkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bonken
- (inergatief) een dof stotend geluid voortbrengen
- Geërgerd door het feestgedruis bonkte hij tegen de muren.