bonk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bonk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bonk | bonken |
| verkleinwoord | bonkje | bonkjes |
Zelfstandig naamwoord
bonk m
- (onomatopee) een bonkend geluid.
- een harde klont
- Er zaten allemaal bonken in het beslag.
- (overdrachtelijk) een stevige kerel.
- Wat een een bonk van een vent, kwam daar ineens door de deur.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bonken |
bonk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
- Ik bonk.
- gebiedende wijs van bonken
- Bonk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
- Bonk je?
Surinaams
Werkwoord
bonk