bonk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bonk
enkelvoud meervoud
naamwoord bonk bonken
verkleinwoord bonkje bonkjes

Zelfstandig naamwoord

bonk m

  1. (onomatopee) een bonkend geluid.
  2. een harde klont
    Er zaten allemaal bonken in het beslag.
  3. (overdrachtelijk) een stevige kerel.
    Wat een een bonk van een vent, kwam daar ineens door de deur.

Werkwoord

vervoeging van
bonken

bonk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
    Ik bonk.
  2. gebiedende wijs van bonken
    Bonk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
    Bonk je?


Surinaams

Werkwoord

bonk

  1. werpen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen