bon
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- bon
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bon | bonnen |
| verkleinwoord | bonnetje | bonnetjes |
Zelfstandig naamwoord
bon
- stukje papier dat als tegoedbewijs dienst doet
- Er zit een bon bij van tien punten.
- een rantsoeneringsbewijs
- De suiker is op de bon.
- een opgelegde boete of bekeuring
- Hij kreeg weer een bon voor te hard rijden.
Overerving en ontlening
Indonesisch
Woordafbreking
- bon
Woordherkomst en -opbouw
- [1],[2] uit het Nederlands "bon"
- [3] uit het Nederlands "bond"
Zelfstandig naamwoord
bon
Synoniemen
Surinaams
Zelfstandig naamwoord
bon