bon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • bon
enkelvoud meervoud
naamwoord bon bonnen
verkleinwoord bonnetje bonnetjes

Zelfstandig naamwoord

bon

  1. stukje papier dat als tegoedbewijs dienst doet
    Er zit een bon bij van tien punten.
  2. een rantsoeneringsbewijs
    De suiker is op de bon.
  3. een opgelegde boete of bekeuring
    Hij kreeg weer een bon voor te hard rijden.
Overerving en ontlening


Indonesisch

Woordafbreking
  • bon
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bon

  1. bon
  2. rekening
  3. bond
Synoniemen


Surinaams

Zelfstandig naamwoord

bon

  1. (plantkunde) boom
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen