bon
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Lettergrepen
- bon
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bon | bonnen |
| verkleinwoord | bonnetje | bonnetjes |
- bon
- stukje papier dat als tegoedbewijs dienst doet
- er zit een bon bij van tien punten
- een rantsoeneringsbewijs
- de suiker is op de bon
- een opgelegde boete of bekeuring
- hij kreeg weer een bon voor te hard rijden

