bogen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bogen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bogen
boogde
geboogd
zwak -d volledig

Werkwoord

bogen

  1. (inergatief) ~ op: erkenning opeisen voor iets
    Hij boogde op zijn aanzienlijke kennis van zaken.
Anagrammen

Werkwoord

vervoeging van
buigen

bogen

  1. meervoud verleden tijd van buigen
    Wij bogen.
    Jullie bogen.
    Zij bogen.

Zelfstandig naamwoord

bogen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boog


Deens

Woordafbreking
  • bo·gen

Zelfstandig naamwoord

bogen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bog