bogen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bo·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bogen |
boogde |
geboogd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bogen
- (inergatief) ~ op: erkenning opeisen voor iets
- Hij boogde op zijn aanzienlijke kennis van zake.
Anagrammen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| buigen |
bogen
- meervoud verleden tijd van buigen
- Wij bogen.
- Jullie bogen.
- Zij bogen.
- Wij bogen.
Zelfstandig naamwoord
bogen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boog
Deens
Woordafbreking
- bo·gen
Zelfstandig naamwoord
bogen, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bog
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Deens
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Deens