boerenkool
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: boerenkool (hulp, bestand)
- IPA: /burə'kol/
Woordafbreking
- boe·ren·kool
Woordherkomst en -opbouw
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | boerenkool | boerenkolen |
| verkleinwoord | boerenkooltje | boerenkooltjes |
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | boerenkool | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- (groente) een kool met sterk gekrulde bladeren
- De boerenkool groeit maar in een bepaalde tijd.
- (metonymie), (voeding) een stamppot van boerenkool met aardappelen
- Wij houden erg van boerenkool.
Vertalingen
1. een kool met sterk gekrulde bladeren
Vertalingen
2. een stamppot van boerenkool met aardappelen