boeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van boer met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boeren
boerde
geboerd
zwak -d volledig

Werkwoord

boeren

  1. het boerenvak uitoefenen
    Mijn familie boert al verscheidene generaties.
    Er wordt steeds meer biologisch geboerd.
  2. een vak uitoefenen
    Na enkele magere jaren boert de branche weer goed.
  3. een boer laten
    Hij boert luidruchtig en laat een scheet.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

boeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boer