boer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- boer
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | boer | boeren |
| verkleinwoord | boertje | boertjes |
Zelfstandig naamwoord
boer m
- landbouwer, agrariër
- (scheldwoord) persoon zonder of met weinig beschaving
- speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de 10 en de vrouw ligt
- geluid dat wordt geproduceerd als lucht uit de maag via de slokdarm naar buiten komt
Anagrammen
Vertalingen
1. landbouwer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| boeren |
boer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
- Ik boer.
- gebiedende wijs van boeren
- Boer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
- Boer je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.