boel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boel m

  1. een verzameling van zaken
    Doordat ze zo ontzettend veel gedronken hadden, begonnen ze de hele boel af te breken.
  2. (informeel) de gang van zaken
    Doe geen zaken met hem, hij probeert altijd de boel te belazeren!
  3. (informeel) een grote hoeveelheid
    Zo, er ligt weer een boel werk op ons te wachten.
  4. (informeel) een tussenwerpsel
    Nee, ik heb geen idee. Maar ach, boel!
  5. (Jiddisch-Hebreeuws) achtste maand van het jaar, in oktober-november; oude benaming, later marchesjvan (1 Kon. 6:38)
Verwante begrippen
  • Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): bul
Verwijzingen