blozen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Blozen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blo·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blozen
bloosde
gebloosd
zwak -d volledig

Werkwoord

blozen

  1. (inergatief) rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
    Toen zij haar naam hoorde en duidelijk werd dat ze ten voorbeeld gehouden werd, bloosde zij.
Vertalingen

Meer informatie