bloterik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- blo·te·rik
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bloterik | bloteriken |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bloterik m
- (pejoratief) iemand die bloot is
- De politie pakte de bloterik op wegens overtreding van de wet op openbare zedenschennis.
- in zijn ~: naakt
- De miss werd gediskwalificeerd omdat ze in haar bloterik in een mannenblad had gestaan.