blootleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloot·leg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blootleggen
legde bloot
blootgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

blootleggen

  1. (overgankelijk) de laag die iets bedekt wegnemen
    Bij deze graafwerkzaamheden werden de fundamenten van een oud kasteel blootgelegd.