blessure
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bles·su·re
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blessure | blessures, blessuren |
| verkleinwoord | blessuretje | blessuretjes |
Zelfstandig naamwoord
blessure v
- een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
- De selectie verscheen overigens op het veld zonder Phillip Cocu, die nog te veel last heeft van een blessure aan zijn bovenbeen die hij afgelopen zondag opliep.
Vertalingen
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.