biologeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: biologeren (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˌbioloˈχɪːrə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˌbioloˈɣeːrə(n)/
Woordafbreking
- bio·lo·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Franse biologiser met het achtervoegsel -eren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| biologeren |
biologeerde |
gebiologeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
biologeren
- (overgankelijk) door een fascinerende eigenschap de volledige aandacht opeisen
- Alle oude treinen in het museum biologeerden hem mateloos.