biologeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bio·lo·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
biologeren
biologeerde
gebiologeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

biologeren

  1. (overgankelijk) door een fascinerende eigenschap de volledige aandacht opeisen
    Alle oude treinen in het museum biologeerden hem mateloos.
Antoniemen