binnenste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·ste
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenste
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

binnenste o

  1. inwendige
    Het binnenste van de bonbon was gevuld met drank.
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

binnenste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van binnenst
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen