bingo
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bin·go
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bingo | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bingo o
- (spel) kansspel, waarbij elke speler een eigen formulier met rijen nummers heeft en hierop die nummers aftekent die door een spelleider willekeurig worden getrokken en omgeroepen, totdat een speler een complete rij afgetekende nummers heeft en "Bingo!" roept
- In het buurthuis wordt dit weekeind een bingo georganiseerd.
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Tussenwerpsel
bingo
- een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
- een uitroep bij het vinden van iets waar naar men op zoek was
Vertalingen
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bingoën |
bingo