bingo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·go
enkelvoud meervoud
naamwoord bingo -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bingo o

  1. (spel) kansspel, waarbij elke speler een eigen formulier met rijen nummers heeft en hierop die nummers aftekent die door een spelleider willekeurig worden getrokken en omgeroepen, totdat een speler een complete rij afgetekende nummers heeft en "Bingo!" roept
    In het buurthuis wordt dit weekeind een bingo georganiseerd.
Vertalingen

Meer informatie

Tussenwerpsel

bingo

  1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
  2. een uitroep bij het vinden van iets waar naar men op zoek was
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bingoën

bingo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bingoën
    Ik bingo.
  2. gebiedende wijs van bingoën
    Bingo!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bingoën
    Bingo je?