bikken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bik·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bikken |
bikte |
gebikt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
- (overgankelijk) met moeite ervan af schrapen of hakken.
- Ik moest bikken om het ijs van mijn voorruit te krijgen.
- (inergatief) (informeel) het nuttigen van voedsel.
- Ik wil graag eerst wat bikken.
Synoniemen
- [2] eten