bikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bik·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bikken
bikte
gebikt
zwak -t volledig

Werkwoord

  1. (overgankelijk) met moeite ervan af schrapen of hakken.
    Ik moest bikken om het ijs van mijn voorruit te krijgen.
  2. (inergatief) (informeel) het nuttigen van voedsel.
    Ik wil graag eerst wat bikken.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen