bieden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| bieden | biedend |
| bod | geboden |
| bieding | |
Uitspraak
Woordafbreking
- bie·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bieden /'bidə(n)/ |
bood /bot/ |
geboden /ɣə'bodə(n)/ |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
bieden
- (ditransitief), (handel) als koper een prijs voorstellen
- Hij kreeg er twintig euro voor geboden.
- (ditransitief) ter beschikking stellen
- Dit bood hem een uitweg uit zijn problemen.