bezoedelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zoe·de·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bezoedelen |
bezoedelde |
bezoedeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bezoedelen
- (overgankelijk) te schande maken
- De goede naam werd door dit geval bezoedeld.
- (overgankelijk) vuil maken
- Het riviertje was met olie bezoedeld.
Synoniemen
- [1] schandvlekken, onteren
- [2] bevuilen, verontreinigen
Vertalingen
1. te schande maken