bezie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)
[zelfstandig naamwoord]

[werkwoordsvorm]

Woordafbreking
  • be·zie
enkelvoud meervoud
naamwoord bezie beziën
verkleinwoord bezietje bezietjes

Zelfstandig naamwoord

bézie v/m

  1. (fruit) een besachtige vrucht.
    De tovenaar trachtte beziën in kamelen om te toveren.

    Een zwerver zet zich op de zachte zoden
    Van geurig groen, die 't woud des bergs bezoomen,
    En de effen blauwe hemel doet hem droomen
    En 't mos, dat krielt van beziën, de rooden.[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Jacques Perk 1859-1881
    Het grootsche denkbeeld.

Werkwoord

vervoeging van
bezien

bezíé

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezien
    Ik bezíé.
  2. gebiedende wijs van bezien
    Bezíé!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezien
    Bezíé je?
  4. aanvoegende wijs van bezien
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen