bewapenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·wa·pe·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bewapenen |
bewapende |
bewapend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bewapenen
- (overgankelijk) iemand van wapens voorzien
- De opstandelingen werden door het buurland bewapend.
- (wederkerend) zich ~: wapens uit hun opslag halen en gaan dragen
- De politie bewapende zich met zwaarder materieel om aan de bendeoorlog een einde te kunnen maken.
Vertalingen
1. iemand van wapens voorzien