bewapenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wa·pe·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewapenen
bewapende
bewapend
zwak -d volledig

Werkwoord

bewapenen

  1. (overgankelijk) iemand van wapens voorzien
    De opstandelingen werden door het buurland bewapend.
  2. (wederkerend) zich ~: wapens uit hun opslag halen en gaan dragen
    De politie bewapende zich met zwaarder materieel om aan de bendeoorlog een einde te kunnen maken.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen