beul
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- beul
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beul | beulen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
beul m
- (beroep) traditioneel de uitvoerder van van overheidswege opgelegde lijfstraffen en aangesteld om ter dood veroordeelden te executeren
- (pejoratief) wreedaard
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
- apenbeul, bekkenbeul, dierenbeul, kampbeul, ketterbeul, kinderbeul, mensenbeul, paardenbeul, slopersbeul, tempobeul, vrouwenbeul
Afgeleide begrippen
- beulachtig, beulenmaal, beulenwerk, beulkraan, beulsambacht, beulsambt, beulshanden, beulsknecht, beulswerk
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beulen |
beul
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beulen
- Ik beul.
- gebiedende wijs van beulen
- Beul!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beulen
- Beul je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.