beuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- beuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beuk | beuken |
| verkleinwoord | beukje | beukjes |
Zelfstandig naamwoord
beuk m
- (plantkunde) Fagus Sylvatica is een Europese hardhoutboom.
- een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw.
- een onderdeel van een kerkgebouw.
- een stevige duw.
- het rammen van een poort.
- De beuk erin!
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. boom
Werkwoord
| vervoeging van |
| beuken |
beuk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
- Ik beuk.
- gebiedende wijs van beuken
- Beuk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
- Beuk je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.