beuk

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Rode beuk

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beuk
enkelvoud meervoud
naamwoord beuk beuken
verkleinwoord beukje beukjes

Zelfstandig naamwoord

beuk m

  1. (plantkunde) Fagus Sylvatica is een Europese hardhoutboom.
  2. een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw.
  3. een onderdeel van een kerkgebouw.
  4. een stevige duw.
  5. het rammen van een poort.
    De beuk erin!
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beuken

beuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    Ik beuk.
  2. gebiedende wijs van beuken
    Beuk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    Beuk je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen