beteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beteren |
beteerde |
beteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
betéren
- (overgankelijk) van een laag teer voorzien
- Zij beteerden de weg en verbeterden daarmee de toegang tot het park.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beteren |
beterde |
gebeterd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
béteren
- (overgankelijk) verbetering aanbrengen met name in moreel opzicht
- Hij beloofde zijn leven te zullen beteren.