beter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ter
Bijvoeglijk naamwoord
beter
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van goed
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beteren |
beter
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beteren
- Ik beter.
- gebiedende wijs van beteren
- Beter!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beteren
- Beter je?
Verwante begrippen
- [1] beteer