betegelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·te·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van tegel met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betegelen
betegelde
betegeld
zwak -d volledig

Werkwoord

betegelen

  1. een vloer of wand van tegels voorzien
    Hij betegelde de badkamer.
Vertalingen