bestrijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·strij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestrijken
bestreek
bestreken
klasse 1 volledig

Werkwoord

bestrijken

  1. (overgankelijk) ~ met in een strijkende beweging ergens iets op aanbrengen
    De muur werd met kalk bestreken.
  2. (overgankelijk) een bepaald gebied betreffen
    Het broedgebied van deze vogelsoort bestrijkt vrijwel geheel Noord-Europa.