bespelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·spe·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bespelen |
bespeelde |
bespeeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bespelen
- (overgankelijk) muziek maken op een muziekinstrument
- Mijn oma bespeelt een piano.
- (overgankelijk) tot iets aanzetten
- De nieuwe medewerker liet zich makkelijk bespelen.