bespelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spe·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van spelen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespelen
bespeelde
bespeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bespelen

  1. (overgankelijk) muziek maken op een muziekinstrument
    Mijn oma bespeelt een piano.
  2. (overgankelijk) tot iets aanzetten
    De nieuwe medewerker liet zich makkelijk bespelen.
Vertalingen