besparen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·spa·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| besparen |
bespaarde |
bespaard |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
besparen
- (overgankelijk) minder van iets gebruiken of verbruiken
- Ik bespaar benzine door minder snel te rijden.
- (inergatief), (economie) ~ op: minder geld uitgeven, bezuinigen
- De overheid zal moeten besparen op de onderwijsuitgaven.
- (overgankelijk), (figuurlijk) niet met iets geconfronteerd willen worden
- Bespaar me je geleuter!
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. minder van iets gebruiken of verbruiken