besparen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spa·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van sparen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besparen
bespaarde
bespaard
zwak -d volledig

Werkwoord

besparen

  1. (overgankelijk) minder van iets gebruiken of verbruiken
    Ik bespaar benzine door minder snel te rijden.
  2. (inergatief), (economie) ~ op: minder geld uitgeven, bezuinigen
    De overheid zal moeten besparen op de onderwijsuitgaven.
  3. (overgankelijk), (figuurlijk) niet met iets geconfronteerd willen worden
    Bespaar me je geleuter!
Afgeleide begrippen
Vertalingen