bepleisteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·pleis·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bepleisteren
bepleisterde
bepleisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

bepleisteren

  1. (overgankelijk) een pleisterlaag op iets aanbrengen
    Ze bepleisterden de muur opnieuw en dat gaf de kamer een heel wat beter aanzicht.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen