benoemen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·noe·men
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| benoemen |
benoemde |
benoemd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
benoemen
- (overgankelijk) ~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt
- Hij werd tot gouverneur benoemd.
- (overgankelijk) (taalkunde) ~ als vaststellen tot welke woordsoort een bepaald woord behoort
- Het woord "beter" in de zin "Een beter huis" wordt als een bijvoeglijk naamwoord benoemd.