benijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·nij·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benijden
benijdde
benijd
zwak -d volledig

Werkwoord

benijden

  1. (overgankelijk) wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
    Hij was niet te benijden met al die problemen met zijn gezondheid.
Opmerkingen
  • Ten Kate (1723) heeft een sterke vervoeging: benijden - beneed - beneden [1] en sterke vormen komen ook nu wel voor. Toch wordt meestal aangenomen dat het werkwoord een denominatief is van Middelnederlands nid "nijd" en daarom zwak is.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Aenleiding tot de kennisse van het verheven deel der Nederduitsche sprake. Lamber ten Kate. Amsterdam. MDCCXXIII