benemen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nemen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benemen
benam
benomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

benemen

  1. (overgankelijk) iemand iets ~: laten verliezen
    Dit benam hem de lust om nog verder te eten.