benauwend
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·nau·wend
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | benauwend |
| verbogen | benauwende |
Bijvoeglijk naamwoord
benauwend
- angst opwekkend
- Het gaf een benauwend gevoel om te weten dat we er een aantal uur niet uit zouden kunnen.
Synoniemen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| benauwen |
benauwend
- onvoltooid deelwoord van benauwen