benauwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·nau·wen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| benauwen |
benauwde |
benauwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
benauwen
- (overgankelijk) zorgen bereiden
- Hij werd benauwd door een schier onoverkomelijke schuldenlast.