beminde
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·min·de
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beminde | beminden |
| verkleinwoord | bemindetje | bemindetjes |
Zelfstandig naamwoord
beminde m
- (formeel) geliefde
- Jij was altijd al mijn beminde.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beminnen |
beminde
- enkelvoud verleden tijd van beminnen
- Ik beminde.
- Jij beminde.
- Hij, zij, het beminde.
- Ik beminde.