beleven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·le·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beleven |
beleefde |
beleefd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
beleven
- (overgankelijk) meemaken, ondervinden
- Hij heeft het avontuur samen met zijn beste vriend beleefd.