beletten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·let·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beletten |
belette |
belet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
beletten
- (overgankelijk) iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
- De automobilisten begonnen te toeteren omdat de verhuisauto de doorgang belette.