belendend
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·len·dend
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | belendend |
| verbogen | belendende |
Bijvoeglijk naamwoord
belendend
- (van panden/vertrekken) aangrenzend.
- Het belendende huis was afgebrand.
Synoniemen
Vertalingen
.(01101)